Eveline Braak (Alkmaar, 1976) studeerde in 2000 af aan de Hogeschool voor de Kunsten te Utrecht. Haar ontwikkeling stond niet stil en leidde in 2011 zelfs tot een nominatie voor de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst. Meedoen is soms beter dan winnen; in die zin vormde de nominatie dan ook aanmoediging genoeg, om verder te gaan op de ingeslagen weg.

Haar werk is zeer gelaagd en met zorgvuldigheid gecomponeerd. Het zijn niet zomaar vormen en kleuren op een doek; het is een zoektocht naar balans en harmonie tussen de verschillende ‘vorm/kleur-entiteiten’ in een abstract landschap. Een landschap dat bestaat in onze gedachten en waar we zelf óók in zouden kunnen bestaan.

Ankie Vanderfeesten M.A.
Galerie Weert

Vraaggesprek Ankie Vanderfeesten (AV) met Eveline Braak (EB) over haar motivatie en haar kunstpraktijk

9 november 2013

(AV) Eveline, waar gaat jouw werk over? Wat vind je belangrijk om te laten zien?
(EB) In mijn werk focus ik op puur schilderen waarbij ik primaire vormen probeer uit te buiten in verf en compositie, gebruik makend van gelaagdheid, dekking, transparantie en verftoets. Op deze manier probeer ik met platte vormen een gevoel van diepte en dynamiek te creëren, een schilderlandschap waarin vormen en kleuren een relatie met elkaar aangaan.

(AV) In welke traditie of kunststroming zou je passen? Welke kunstenaars zijn belangrijk voor je; met wie voel je je verwant?
(EB) Wanneer je mijn werk in een stroming zou willen indelen, dan valt het onder de fundamentele schilderkunst. In deze stroming gaat het over basisprincipes zoals vorm, kleur, formaat en schildertechniek, waarbij het proces van het schilderen voorop staat. Schilderijen ontstaan vaak in reeksen. Schilders met wie ik mij verwant voel zijn Toon Verhoef, Robert Zandvliet, Marien Schouten, René Daniels, Gerhard Richter, Robert Motherwell.

(AV) Je werkt in diverse groottes die behoorlijk contrasteren ten opzichte van elkaar; wat is de gedachte daarachter?
(EB) Ik werk graag op kleine (25-50 cm) en grote formaten (90-180 en 120-240 cm). In de kleine formaten werk ik aan grote series van 10-15 schilderijen tegelijkertijd en experimenteer ik met een thema. Dit vind ik prettig, omdat ik in het kleine formaat snel kan werken en er veel ideeën in kwijt kan. De ideeën die ik opdoe tijdens het maken van de kleine schilderijen kunnen weer uitgangspunten vormen voor grote schilderijen (of een nieuwe serie kleine schilderijen). Op deze wijze wordt door het schilderen zelf nieuwe inspiratie gecreëerd.

(AV) Tussen het kleine en het grote werk zitten, voor wie van detail houd, toch wel aanzienlijke verschillen in materiaalkeuze. Kun je iets vertellen over dit verschil?
(EB) In het kleine werk probeer ik veel gelaagdheid te creëren, o.a. door het aanbrengen van beschilderd papier en karton. Het element lijkt een onderdeel van de verf, maar wanneer je beter kijkt, zie je dat het een toevoeging in een ander materiaal is. Door deze techniek ontstaan contrasten, helderheid, structuren, ruimtelijkheid en complexiteit.
Ik vind het mooi om de vertaalslag te maken van klein naar groot werk.Vormen en composities die op deze manier opgeblazen worden krijgen een heel andere impact. De vorm wordt een soort kleurveld waarin je veel meer gaat kijken naar bijvoorbeeld de kwaststreek. Om de dynamiek, directheid en simpelheid van het kleine werk te behouden gebruik ik grote kwasten en laat ik de kwaststreek zien. Ondanks dat het werk in fasen ontstaat vind ik het belangrijk dat het werk dynamisch overkomt. In de grote schilderijen werkt het goed om contrasten aan te brengen met behulp van alleen verf, de techniek van collage pas ik hier niet toe. Wanneer ik grote schilderijen maak werk ik meestal aan drie doeken tegelijk. Het is prettig om ze gezamenlijk te zien ontstaan en het past bij mijn werkwijze.

(AV) Het tot stand komen van schilderijen is een proces dat voor elke individuele kunstenaar weer anders in elkaar steekt. Hoe zit dat bij jou? Hoe lang werk je bijvoorbeeld achter elkaar?
(EB) Ik ga vaak naar het atelier waar ik korte schildersessies heb van ongeveer twee tot drie uur en voeg dan een of twee elementen toe per schilderij. Geconcentreerd schilderen en vervolgens weer afstand nemen (door het atelier te verlaten) is voor mij heel erg belangrijk.

Wanneer ik begin met schilderen dan start ik vanuit een idee met betrekking tot vorm, compositie en kleur. Ik werk niet volgens een strak uitgewerkte schets, maar gebruik het idee als uitgangspunt en improviseer daarop verder. Na enige tijd volgt het schilderij zijn eigen route. Op dat moment is het belangrijk om aan te voelen wat het schilderij nodig heeft om verder te komen in zijn ontwikkeling. Soms ontwikkeld het schilderij zich niet verder, maar blijft het steken, omdat het te weinig spanning en contrast in zich heeft. Op zo’n moment  introduceer ik bewust een probleem in het schilderij, een contrasterend element. Dit element geeft vervolgens een nieuwe impuls aan het schilderij.

Deze manier van improviserend werken drijft mij tot het maken van steeds nieuwe schilderijen. Iedere keer weer ben ik benieuwd naar wat de uitkomst zal zijn. Het is een oneindig en stimulerend proces, waarin ik gedreven wordt door nieuwsgierigheid en het plezier van het ontdekken.

(AV) Dank je Eveline voor dit vraaggesprek.

 

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

‘Ik heb de onbewuste neiging de vorm binnen de grenzen van het schilderij te schilderen’


Eveline Braak schildert niet buiten de lijntjes.

U kent het wel. Het beeld van kunstenaars als Karel Appel of Jan Wolkers. Warrige haardos, een rommelig leven met veel drank en vrouwen, een muze en inspiratie. Dagenlang is de kunstenaar in zijn atelier en zet wild streken op een doek. Dit beeld gaat niet op voor schilder Eveline Braak. Ze schildert geordende grafische schilderijen met simpele vormen en neemt zelf het opnameapparaat mee voor dit interview .

Bij binnenkomst valt op dat de vloer van haar atelier leeg is. Tegen de wanden van het atelier leunen grote doeken. Ze zijn ingepakt in plastic met tussen de schilderijen kartonnetjes ter bescherming. Alleen de achterkant is zichtbaar. In een stellingkast staan alle schilderijtjes van 25 bij 50 cm opgestapeld. Ik loop langs twee spijkertjes, waaraan ze de schilderijen zal ophangen waarover wij praten. Ze pakt twee klapstoelen. Het is aangenaam warm en er is geen spoor te zien van verf. Ze presenteert stroopwafels bij de koffie en ze vertelt met zachte, licht aarzelende stem.

‘Tijdens het schilderen heb ik de onbewuste neiging om de vorm in het schilderij te schilderen.’ In haar schilderijen is er diezelfde orde. Vormen staan netjes naast elkaar, ze passen precies op het doek. Het zijn simpele ronde vormen, die speels zijn en kinderlijk. Er zit geen perspectief in, wel dieptewerking. Die dieptewerking en de compositie leveren contrasten die spanning oproepen bij de toeschouwer. Die spanning is voelbaar in details, zoals een vorm waar de achtergrond doorheen schijnt, een kleur die terugkomt of een uitgeknipte, opgeplakte vorm die is ingekaderd in het schilderwerk.  Haar schilderstijl is grafisch, gelaagd en vrolijk. In de vormen zie ik haardossen of barbapapa’s. Sommigen zien er komkommers in of aubergines.

Een zwarte ronde vorm, een gelige wolkige dennenboom, een raster en een bosje op de achtergrond. Een groot schilderij hangt nu aan de twee spijkertjes. In 2011 hing dit schilderij in het paleis op de Dam, omdat Eveline genomineerd was voor de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst. ‘In die grote paleiszaal vulde dit schilderij echt de ruimte. Je ziet dat het erg groot is voor mijn atelier.’ Van elke genomineerde hing er een schilderij en van de winnaar hingen er twee. ‘Dat was nog net in het jaar dat ik 35 werd, het laatste jaar dat ik kon meedoen. Alle kunstbobo’s liepen rond in het paleis. Geweldig om mee te maken!’

Kijken

 ‘Schilderen is er gewoon, het is een energie die ik heb. Betekenis geef ik niet en inspiratie krijg ik uit de schilderijen zelf. Uit de compositie en de manier van werken. Dan zie ik iets en ga ik dat verder uitwerken. Sinds een jaar gebruik ik bijvoorbeeld het donkergrijze raster. Dat is een fijn startpunt van een schilderij, het geeft mij structuur en dit raster gaat een contrast aan met de ronde vormen op de voorgrond. Zo kan ik spelen met wat voor is en achter op het schilderij en probeer ik ruimte erin te krijgen. Sommigen zien er landschappelijke elementen in. Ik probeer vooral een eigen stijl te hebben en ik ben gewoon heel visueel ingesteld.’

Doordeweeks gaat ze na haar werk als projectcoördinator bij Prorail vaak nog naar het atelier. In het weekend pendelt ze tussen huis en atelier. Ze is er nooit een hele dag. Ze komt, kijkt, vult de schilderijen aan, gaat weg en keert terug. ‘Het is ontspannend, voelt niet als werk. Als ik echt op dreef ben, fiets ik wel drie keer heen en weer. De helft van de tijd kijk ik naar mijn werk. Dan bedenk ik oh dát ga ik doen. Snel pak ik verf en schilder de bedachte vorm op het doek.’

Anneke Laverman